Als je uit de politiek bent, maak je duidelijk minder mee dat je de moeite vindt te delen met de rest van de wereld… En de urgentie dat het een beetje snel moet is er ook een beetje af. Maar nu toch weer eens iets.
Al meer dan twee weken geleden schreef ik een stuk over de uitlatingen van Van Oostrom over het voornemen van het Rijksmuseum om het pistool van Van der G. aan te schaffen. Hij trok het bestaansrecht van de afdeling Geschiedenis van het Rijks nogal bot in twijfel. Toen ik er werkte, vond ik juist deze afdeling het meest dynamisch, gericht op de Nederlanders en niet op de toeristen, kortom, zeer waardevol voor het museum. Het stuk stuurde ik naar het NRC en daar is het op zowel de opinie-pagina (op 29 september), als in NRC Next gepubliceerd.
Dit is de ingezonden tekst (vrijwel ongewijzigd gepubliceerd):
Het voornemen de revolver waarmee Fortuijn is vermoord tentoon te stellen in het Rijksmuseum heeft tot een verbijsterende discussie geleid tussen de directeur en een lid van de raad van toezicht. Wat niet verbaast is de ambitie van het Rijksmuseum dit voorwerp in de collectie op te nemen en te zijner tijd te exposeren. Enige jaren geleden had de aankoop van een schilderij dat de werkkamer van Anton Mussert had gesierd ook de nodige stof doen opwaaien, terwijl de aanschaf van het model van het slavernij-monument van Erwin de Vries en het bureau van Willem Drees aanzienlijk geruislozer verliep. Verbazend in de stellingname van de directeur Pijbes was zijn afwijzing van het mes waarmee Theo van Gogh is omgebracht – meer dan het vuurwapen van een milieu-activist is dit voorwerp symbolisch voor de huidige radicalisering en polarisatie. Ook pijnlijke episodes in de geschiedenis behoren in het museum voor Geschiedenis te worden opgenomen.
Want dat is het echt verbazingwekkende: dat Van Oostrom, waarschijnlijk uit retorische overwegingen, de rol van het Rijksmuseum als Museum voor Kunst en Geschiedenis op een onwaarschijnlijke manier vertekent. De afdeling Geschiedenis afdoen als een dode letter in het 19e eeuwse statuut getuigt niet van enige kennis van de instelling waarvan Van Oostrom in de raad van toezicht een van de hoeders zou moeten zijn. Kennelijk zijn de schitterende tentoonstellingen over Maurits, over onze relaties met de Oosterburen, over Lodewijk Napoleon, de tentoonstelling Held, de jaarlijkse documentaire fotografie-opdrachten, en enkele decennia geleden Nova Zembla, Willem van Oranje en nog talrijke andere tentoonstellingen, educatieve publicaties en kleine presentaties allemaal aan Van Oostrom voorbijgegaan. Hij heeft kennelijk nooit gezien dat het stokje van Oldenbarnevelt, de boekenkist van Hugo de Groot, de spiegel van de Royal Charles en het stukje grond waar Willem III voet op Engelse bodem zette belangrijke plekken in de tijdelijke opstelling innemen. Een museum waar een van de belangrijke ambities voor de nieuwe opstelling juist een integratie van het geschiedkundige en het kunsthistorische verhaal is.
Een nog kwalijker tendens in het denken van Van Oostrom over het museum blijkt uit de uitspraak: "Je moet het publiek niet verwarren door iets anders te willen zijn. Het publiek komt voor Rembrandt en de schitterende collectie schilderijen uit de 17e eeuw.xe2x80x9d In dat geval is de renovatie van het museum helemaal niet nodig, want dit is precies wat de huidige tijdelijke opstelling, prettig gecondenseerd, laat zien, hoewel Van Oostrom wellicht de boekenkist, het stokje en de spiegel liever naar Arnhem zou bonjouren. Een museum van de hoogtepunten, een museum dat brengt wat een publiek niet verwart. Lastig ook dat het museum ook nog een hoeveelheid 19e eeuwse schilderijen heeft, en ceramiek, meubels, mode, zilver – allemaal zeer goede deelcollecties. De prenten, daar zitten gelukkig ook nog wat Rembrandts tussen, maar de overige honderdduizenden inventarisnummers zouden het publiek toch danig in de war kunnen brengen, om van de tienduizenden foto's maar te zwijgen! En de Aziatische kunst, wat moet het publiek daar dan mee?
Een museum moet schokken, verwarren, verrassen, confronteren, verrukken, onbekende schatten herbergen die steeds opnieuw door nieuwe generaties kunnen worden ontdekt. De geschiedenis wordt in het Rijksmuseum tastbaar niet door multimediaal geweld, maar door de authenticiteit en de veelzijdigheid van de voorwerpen. Dat moet zo blijven, dat hoort versterkt te worden.